Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

Voormalig werfbeheerder veroordeeld voor gewoontewitwassen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2026, https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1154

In deze zaak staat een voormalig werfbeheerder centraal die ervan wordt verdacht ruim 3 miljoen euro te hebben verkregen met oplichting en vervolgens te hebben witgewassen.

Het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden heeft op 25 februari 2026 een voormalig werf- en wagenparkbeheerder van de gemeente Amsterdam veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf. De man maakte zich volgens het hof gedurende zeven jaar schuldig aan medeplegen van oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. In totaal werd ruim drie miljoen euro aan criminele opbrengsten verworven en besteed aan luxe goederen en diensten. Het hof vernietigt het eerdere vonnis van de rechtbank Overijssel en komt tot een hogere straf dan zowel de rechtbank als de advocaat‑generaal had gevorderd.

De verdachte, werkzaam bij stadsdeel West, wist vanuit zijn functie als werf- en wagenparkbeheerder jarenlang interne controlemechanismen te omzeilen. De verdachte had vanuit zijn functie een belangrijke rol bij de inkoop van goederen en diensten. Zodoende kon de verdachte de controles omzeilen. Hij kon immers zelf invloed uitoefenen op alle controlestappen en bewerkstelligde dat de controles in de praktijk niet effectief waren. Via drie routes werden honderden valse facturen ingediend bij de gemeente en bij een leasebedrijf. Hij maakte daarbij gebruik van het bedrijf van zijn partner, de eenmanszaak van een medeverdachte en een derde medeverdachte die facturen doorbelastte. Het hof acht bewezen dat de daarop vermelde goederen en diensten nooit zijn geleverd. Uit onderzoek op de gemeentewerven, verklaringen van medewerkers en financiële gegevens blijkt dat de betrokken bedrijven geen activiteiten ontplooiden en dat de geldstromen vooral ten goede kwamen aan de verdachte en zijn partner.

Het hof verwerpt het verweer dat de dagvaarding partieel nietig zou zijn wegens ontbrekende facturen. Uit het dossier blijkt volgens het hof voldoende duidelijk op welke facturen de verdenking ziet. Ook het beroep op de gebrekkige administratie van de gemeente slaagt niet: een onvolmaakte administratie mag geen vrijbrief vormen voor misbruik. De verdachte kende de kwetsbaarheden van het inkoopproces en maakte daar doelbewust gebruik van.

Evenmin volgt het hof het standpunt dat het causaal verband tussen de oplichtingsmiddelen en de betalingen ontbreekt. De verdachte droeg zelf bedrijven aan, diende facturen in, tekende voor ontvangst en instrueerde medeverdachten over wat zij moesten zeggen bij navraag. Het subsidiaire verweer dat de facturen niet vals zouden zijn omdat de bedrijfsgegevens feitelijk klopten, wordt eveneens verworpen. Het valse element schuilt in het voorwenden van werkzaamheden die nooit zijn verricht. Bovendien voldoen de facturen qua opmaak niet aan de eisen van de Belastingdienst.

Het hof stelt vast dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met drie medeverdachten. De witwashandelingen zien op een bedrag van in totaal € 3.012.939,44. Vanwege de omvang en de duur van de transacties merkt het hof dit aan als gewoontewitwassen. De uiteindelijke straf bedraagt 46 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit is een hogere straf dan de 43 maanden die de rechtbank heeft opgelegd en eveneens hoger dan de eis van de advocaat-generaal van 36 maanden. Hiermee onderstreept het hof dat langdurige interne fraude binnen de overheid en omvangrijk witwassen zwaar worden bestraft.

Deel deze pagina