Direct naar inhoud

6-stappenplan is EVRM-proof

9 juni 2017 10:57

Aflopen jaren heeft het AMLC regelmatig de vraag gekregen of de toepassing van het 6-stappenplan in witwaszaken niet in strijd is met verschillende rechtsbeginselen. Mag bijvoorbeeld van een verdachte onder bepaalde omstandigheden worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld? Is dit niet in strijd met het zwijgrecht? Ons antwoord is altijd geweest dat wij geen belemmeringen zagen, maar er was ons geen specifieke uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een witwaszaak bekend. Afgelopen week is er een uitspraak van het EHRM gepubliceerd, naar aanleiding van een Belgische witwas-casus[1].

De feiten:

De Nederlander Zschüschen opent in maart 2003 een bankrekening in België en stort daar binnen 2 maanden in 5 transacties een totaalbedrag van 75.000 euro. Zschüschen heeft drugsantecedenten en geen inkomen (in Nederland). Er wordt een witwaszaak tegen hem gestart in België. In eerste instantie verklaart hij dat het geld is verdiend met niet gefiscaliseerd (zwart) werk gedurende 4 jaar. Hij wil geen namen van werkgevers noemen. Vervolgens beroept hij zich gedurende het gehele proces op zijn zwijgrecht.

In 2006 wordt Zschüschen in België veroordeeld (10 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, 5.000 euro boete en confiscatie van de 75.000 euro).

De rechtsvragen:

Zschüschen beroept zich bij het EHRM allereerst op artikel 6 lid 1 en 2 van het EVRM. Specifiek op de schending van het recht op “fair trial”, de onschuldspresumptie en het zwijgrecht. Het feit dat tijdens het proces het gronddelict niet gespecificeerd is, zou een schending van zijn verdedigingsrechten opleveren alsmede een schending van het recht om onverwijld geïnformeerd te worden over de beschuldiging. Er wordt daarnaast dus ook een beroep gedaan op artikel 6 lid 3 sub a EVRM.

De samenvattende visie van het EHRM:

Samenvattend is het oordeel van het ERHM dat Zschüschen op geen van de punten in het gelijk wordt gesteld.

De uitwerking:

Artikel 6 lid 1 en 2 (fair trial en onschuldpresumptie)

Zschüschen heeft volgens het EHRM een vage en niet-overtuigende verklaring (déclarations vagues et peu convaincantes[2]) voor de herkomst van het geld gegeven, en wilde daar verder geen nadere vragen over beantwoorden. De Belgische rechter heeft die weigering om te verklaren over de herkomst van het geld meegewogen in de conclusie dat het geld van misdrijf afkomstig was. Dit levert volgens het EHRM geen strijd op met het EVRM (recht om te zwijgen en recht om jezelf niet te belasten) nu er ook ander bewijs in deze zaak was.

Dit zou alleen anders zijn als het eindoordeel volledig of voor het overgrote deel (‘exclusivement ou essentiellement’[3]) gebaseerd was op dat zwijgen.

In deze zaak waren de feiten en omstandigheden dusdanig dat het zwijgen het bewijs dat er al lag alleen maar bevestigde. Meegewogen werd dat het niet ingewikkeld zou moeten zijn voor Zschüschen om zijn verklaring over de herkomst van het geld te onderbouwen. De conclusies die zijn getrokken uit zijn weigering om te verklaren zijn niet unfair of onredelijk, maar ingegeven door gezond verstand (étaient dictées par le bon sens et ne sauraient passer pour iniques ou déraisonnables[4]).

Artikel 6 lid 3 onder a (onverwijlde informatie over beschuldiging)

Het EHRM stelt dat in lijn met de Belgische wetgeving verdachte voldoende op de hoogte was van het verwijt dat hem werd gemaakt, gezien de begrijpelijke en gedetailleerde beschrijving van de verdachte transacties en de juridische duiding witwassen. Hierdoor wist Zschüschen waartegen hij zich moest verdedigen.

Het EHRM merkt verder op, en dit is ook voor de Nederlandse situatie relevant, dat niet uit art. 6 lid 3 onder a EVRM de verplichting voortvloeit om het specifieke gronddelict te omschrijven in de tenlastelegging. Immers, het gronddelict waarmee het geld verkregen is, is niet de kern van het verwijt bij witwassen.

Kortom, deze uitspraak is een bevestiging dat de Nederlandse aanpak van witwaszaken waarin het 6-stappenplan wordt toegepast niet in strijd is met het EVRM.

 


[1] Zschüschen v. Belgium http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“itemid”:[“001-174209”]}, uitspraak alleen nog in het Frans beschikbaar, press release van 1-6-2017 in het Engels
[2] http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“itemid”:[“001-174209”]} overweging 29
[3] http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“itemid”:[“001-174209”]} overweging 29, verwijzend naar EHRM Murray-VK overweging 48
[4] http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“itemid”:[“001-174209”]} overweging 29, verwijzend naar EHRM Murray-VK overweging 31