Witwassen en belastingfraude in internationale structuren
Publicatiedatum 30-06-2026, 13:14 |
Hof Den Bosch, 16 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:996
Lees deze uitspraak samen met:
Hof Den Bosch, 16 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1006
Hof Den Bosch, 16 april 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1012
In drie recente arresten van het gerechtshof Den Bosch stond de vraag centraal hoe moet worden omgegaan met omvangrijke vermogensstructuren waarin buitenlandse rechtspersonen, trustconstructies en stromannen werden gebruikt.
In alle zaken vormden signalen uit RIEC‑onderzoeken naar vastgoedfinancieringen de aanleiding voor een breder strafrechtelijk onderzoek naar witwassen, valsheid in geschrift en belastingfraude. De arresten bieden inzicht in de wijze waarop het hof witwastypologieën beoordeeld, wanneer belastingfraude als gronddelict kan dienen en hoe vermenging van vermogen wordt gewaardeerd.
In alle drie de zaken stelde het hof vast dat de onderzochte structuren kenmerken vertoonden van algemeen erkende witwastypologieën. Het ging onder meer om het gebruik van buitenlandse vennootschappen, offshore‑structuren, trusts, stromannen en loanback‑constructies. Deze omstandigheden werden aangemerkt als indicatoren die een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen rechtvaardigden. Daarmee was de start van het strafrechtelijk onderzoek in alle zaken rechtmatig. In de loop van de onderzoeken werd de verdenking uitgebreid met overtreding van de Wet op het financieel toezicht en met fiscale fraude.
Een belangrijk gemeenschappelijk element is dat het hof vooropstelt dat voor witwassen niet vereist is dat een concreet gronddelict wordt vastgesteld. Indien het op basis van de feiten niet anders kan zijn dan dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, kan witwassen worden bewezen. In alle drie de zaken hebben de verdachten verklaard dat zij vanaf de jaren zestig en tachtig vermogen hebben opgebouwd met de handel in legeronderdelen en met vastgoedtransacties. Deze verklaringen werden door het hof niet op voorhand als onaannemelijk beschouwd en werden ondersteund door getuigenverklaringen. Het Openbaar Ministerie heeft deze verklaringen volgens het hof onvoldoende kunnen weerleggen. Daardoor werd het zes-stappenplan in geen van de zaken succesvol doorlopen.
Vervolgens onderzocht het hof of belastingfraude als gronddelict kon dienen. In alle zaken staat vast dat de betrokken natuurlijke personen gedurende meerdere decennia nergens ter wereld belasting hebben betaald over hun inkomsten en winsten. De betrokken vennootschappen waren in het buitenland gevestigd met het doel belastingheffing te vermijden. Het hof achtte bewezen dat door de Nederlandse rechtspersonen structureel vennootschapsbelasting was ontdoken door winsten te verschuiven naar buitenlandse vennootschappen. Deze verschuiving vond plaats via ABC‑transacties waarbij goederen feitelijk door de Nederlandse rechtspersoon werden geleverd, terwijl de winst werd geboekt bij een buitenlandse vennootschap. De betrokken personen vormden feitelijk één economische eenheid en konden de winstverdeling naar eigen inzicht sturen. De buitenlandse vennootschappen fungeerden daarbij als kanalen om winsten af te romen.
De Belastingdienst heeft vastgesteld dat tussen 1998 en 2015 ruim vijftien miljoen euro aan winst niet is aangegeven. Dit heeft geleid tot een onbetaalde vennootschapsbelastingbelasting van bijna 5 miljoen euro. Dit voordeel kan worden aangemerkt als ‘uit misdrijf afkomstig’ en is vermengd geraakt met het overige vermogen van de verdachten. Nu dit bedrag niet meer te onderscheiden is of individualiseerbaar leidt dit ertoe dat het gehele vermogen als gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig wordt aangemerkt. Hierin neemt het hof ook het structurele karakter en de verhouding van de bedragen (5 miljoen euro ten opzichte van een volledig vermogen van 46 miljoen euro) mee. In alle zaken werd vastgesteld dat de gelden die door de betrokken rechtspersonen werden uitgeleend of verplaatst afkomstig waren uit dit vermengde vermogen en daarmee ‘uit enig misdrijf afkomstig’. Het gebruik van buitenlandse vennootschappen als tussenschakel werd aangemerkt als een verhullingshandeling, mede gelet op de trustconstructies en de aandelenstructuren via vennootschappen in belastingparadijzen.
Het hof kwamen tot de conclusie dat sprake was van witwassen, valsheid in geschrift en belastingfraude. In de ene zaak leidde dit tot een geldboete voor de rechtspersoon. In de andere zaken werd bewezen verklaard dat de verdachte feitelijke leiding had gegeven aan de strafbare feiten. Alle verweren werden verworpen.
Deze arresten laten zien dat belastingfraude een belangrijk gronddelict kan vormen voor witwassen wanneer winsten structureel worden verschoven naar buitenlandse vennootschappen die uitsluitend dienen als afroomkanaal. Zodra de ontdoken belasting volledig is vermengd met het overige vermogen, wordt het gehele vermogen aangemerkt als gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig. De arresten maken verder duidelijk dat het zes-stappenplan niet succesvol kan worden doorlopen wanneer verdachten een concrete en niet op voorhand onaannemelijke verklaring geven voor de opbouw van hun vermogen en het Openbaar Ministerie deze verklaring onvoldoende weet te weerleggen. Tot slot blijkt uit alle drie de zaken dat het gebruik van offshore‑structuren, trusts en stromannen een belangrijke indicator vormt voor het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen en daarmee voor de rechtmatigheid van de start van het onderzoek.