Strafbaarstelling van verborgen ruimtes in voertuigen
Publicatiedatum 26-02-2026, 6:52 |
Tot voor kort bevonden verborgen ruimtes in voertuigen zich in een juridisch grijs gebied. Hoewel deze ruimtes al jaren een vast onderdeel vormen van het criminele circuit, was het enkel hebben of inbouwen van zo’n verborgen ruimte niet strafbaar.
Zolang de opsporingsdiensten bij een controle een lege verborgen ruimte aantroffen, konden zij daar in beginsel weinig tegen beginnen. Het hebben van zo’n ruimte was immers geen strafbaar feit, enkel de inhoud – wapens, drugs of contant geld – kon reden geven tot vervolging. Op 1 januari 2026 is daar verandering in gekomen de Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II.
Strafbaarstelling in de wet
Met het inwerkingtreden van de nieuwe wet is per 1 januari 2026 de strafbaarstelling rondom verborgen ruimtes verruimd. Het nieuwe artikel 189a Sr stelt sindsdien twee gedragingen strafbaar:
- Het voorhanden hebben van een vervoermiddel met een verborgen ruimte, wetende dat deze ruimte kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken;
- Het opzettelijk toerusten of inrichten van een vervoermiddel met zo’n ruimte.
Voor beide gedragingen geldt een maximumstraf van twee jaar gevangenisstraf of een boete van de derde categorie.
Relevantie voor de witwasbestrijding
Verborgen ruimtes vormen volgens de cijfers een steeds grotere rol bij het transporteren van crimineel vermogen. In 2015 waren er 150 voertuigen met een verborgen ruimte aangetroffen tijdens controles en in 2020 waren dit er al 600. Deze groei laat zien dat criminelen over een steeds grotere capaciteit beschikken om grote hoeveelheden cash buiten het zicht van opsporings‑ en toezichtinstanties te verplaatsen. Het risico dat geldstromen volledig aan de autoriteiten ontsnappen, neemt daarmee aanzienlijk toe. Juist om die reden is de strafbaarstelling van verborgen ruimtes en hun makers relevant voor de witwasbestrijdingsketen: zij beperkt een belangrijk logistiek middel waarmee contant geld – de brandstof van veel criminele economieën – ongezien kan circuleren.
‘Verhullen’ en de betekenis van verborgen ruimtes binnen witwassen
De vraag of het verbergen van geld in een verborgen ruimte als verhullen kan worden gezien, is juridisch en praktisch relevant voor de witwasbestrijding. Rechters zien zo’n verborgen ruimte steeds vaker als een duidelijke aanwijzing dat de herkomst van het geld wordt verborgen. Dit geldt niet alleen voor het opbouwen van het witwasvermoeden, maar ook voor de witwashandeling. Dat is op zich logisch, want anders dan het opbergen van geld in een envelop in een kast, is een verborgen ruimte technisch ingebouwd, specifiek ontworpen om detectie te voorkomen en vrijwel uitsluitend in een criminele context toegepast. Het gebruik ervan vormt daarmee een actieve handeling die opsporing bemoeilijkt. De nieuwe wettelijke formulering – “kennelijk bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken” – sluit dan ook direct aan bij hoe verhullen binnen de witwasartikelen wordt geïnterpreteerd.
Hier is een parallel te trekken met een recente uitspraak van de Hoge Raad over een verborgen ruimte onder de trap. Eerder publiceerden wij al een samenvatting over deze uitspraak. Hier haalt de Hoge Raad de wetsgeschiedenis aan en die luidt als volgt:
“[..] bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken.”
Het plaatsen van criminele voorwerpen in een verborgen ruimte in de auto lijkt hiermee te voldoen aan de eisen van witwashandelingen uit artikel 420bis lid 1 sub a, maar het is wachten op de eerste uitspraken hierover om te weten hoe de rechters met deze nieuwe regelgeving zullen omspringen.