Ga direct naar de inhoud
Naar de homepage van AMLC

Witwassen en heling hand in hand

28 oktober 2015 11:50

Door: Sophie de Ridder, AMLC, Medeweker Kennis

In de vorige nieuwsbrief is er aandacht besteedt aan een recente uitspraak van de Hoge Raad over van heling en witwassen. Omdat de samenloop tussen deze twee delicten ingewikkeld kan zijn, zullen we in deze nieuwsbrief verder op dit onderwerp in gaan.

De wetsartikelen van heling en witwassen lijken erg op elkaar. Bij heling gaat het om het verwerven, voorhanden hebben of overdragen van een goed of het vestigen van een recht op een goed, terwijl dit goed uit een misdrijf verkregen is. Deze omschrijving heeft een grote overeenkomst met de omschrijving van het witwasdelict. Daarbij draait het om een witwashandeling (bijvoorbeeld verwerven of voorhanden hebben) van een voorwerp dat uit enig misdrijf afkomstig is. Omdat deze twee delicten dus zoveel overeenkomsten hebben in de omschrijving kan er sprake zijn van overlap. Dit roept de vraag op wat het verschil is tussen de twee delicten en hoe verhouden ze zich tot elkaar.

Voordat de witwasartikelen in werking traden, eind 2001, werd witwassen vaak vervolgt via de helingartikelen. Niet in alle gevallen bood het helingartikel voldoende uitkomst, voornamelijk vanwege de ‘heler-steler’-regel. Dit houdt in dat degene die zelf een goed steelt niet ook voor heling van dat goed vervolgt kan worden. De wetgever vond dat ook degene die de opbrengsten van door hem zelf gepleegde misdrijven witwast, moest kunnen worden vervolgd en veroordeeld. In het witwasartikel is daarom niet iets vergelijkbaars als de ‘heler-steler’-regel opgenomen door de wetgever. Inmiddels is in de rechtspraak wel een soort gelijke beperking ontwikkeld. Op grond van de kwalificatie-uitsluitingsgrond (die in ook in eerdere nieuwsbrieven is besproken) is er geen sprake van witwassen wanneer iemand een voorwerp verwerft of voorhanden heeft dat hij direct uit eigen misdrijf heeft verkregen. In zo’n geval is pas sprake van witwassen als er handelingen zijn verricht die daadwerkelijk de criminele herkomst verhullen of verbergen.

Uit de Memorie van Toelichting van de witwasartikelen blijkt dat witwassen een andere achtergrond heeft dan heling. Heling wordt gezien als een begunstigingsdelict. De heler probeert voordeel te behalen uit misdrijven die door andere zijn gepleegd. Daardoor wordt bevorderd dat anderen die misdrijven (blijven) plegen. Dit zogenaamde begunstigende karakter staat bij heling voorop. Witwassen is een veelomvattender delict, het tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Doordat geld met een criminele oorsprong wordt gewit en weer een (schijnbaar) legale rol in het economische verkeer kan gaan spelen, zonder dat dit voor de niet criminelen in de samenleving niet duidelijk is. En het vormt een bedreiging voor de openbare orde. Ondanks deze verschillen is het in de praktijk in sommige gevallen toch onduidelijk van welk delict sprake is en hoe daar bij een veroordeling mee omgegaan moet worden.

Het recente arrest van de Hoge Raad van 3 maart (ECLI:NL:HR:2015:501) geeft meer duidelijkheid op welke manier witwassen en heling kunnen samenlopen en hoe daarmee om te gaan. In die zaak draaide het om een verdachte die een aantal gestolen sieraden verkocht voor iemand anders. Het blijkt dat de sieraden afkomstig zijn van een woninginbraak. Het hof oordeelt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zowel schuldheling als schuldwitwassen. Met één handeling, het verkopen van gestolen sieraden, vervult de verdachte inderdaad alle bestanddelen (onderdelen van het wetsartikel) van zowel witwassen als heling. In zo’n geval is het niet logisch dat er een hogere straf opgelegd wordt omdat er strikt genomen sprake is van twee delicten terwijl de verdachte eigenlijk maar één ding gedaan heeft.

De Hoge Raad overweegt dat het in zo’n situatie aan het openbaar ministerie is om een keuze te maken tussen heling en witwassen. Dat kan gedaan worden door gebruik te maken van een alternatieve of een primair/subsidiaire tenlastelegging. Als er toch een veroordeling volgt voor beide feiten dan stellen de samenloopbepalingen (art. 55 e.v. Sr) grenzen aan de optelling van de verschillende maximumstraffen.

Er is sprake van eendaadse samenloop als het gaat om een identiek feitencomplex en het toevalligerwijs vervullen van twee delictsomschrijvingen terwijl er eigenlijk maar één delict is gepleegd. Artikel 55 Sr bepaalt dan dat slechts één van de strafbaarstellingen wordt toegepast. Bij een verschil in strafmaximum is dat dan de strafbaarstelling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Als er samenloop is van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden gezien en meer dan één misdrijf opleveren is er sprake van meerdaadse samenloop. In dat geval wordt er één straf opgelegd en het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen, maar voor gevangenisstraf niet meer dan een derde boven het hoogste maximum. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor als iemand drugs verkoopt (opiumwetdelict) in ruil voor gestolen goederen (heling). Er kan ook sprake zijn van meerdaadse samenloop bij heling en witwassen. Bijvoorbeeld indien iemand een voorwerp koopt terwijl hij weet dat dit door een misdrijf is verkregen (heling) en hij dit voorwerp vervolgens witwast.

Uit de feiten en omstandigheden van de zaak waarbij de verdachte gestolen sieraden verkocht volgt dat het om een identiek feitencomplex ging. Hierbij is gekeken naar tijd, plaats, gedragingen en voorwerpen. Er was dus sprake van eendaadse samenloop. Het oordeel van het hof dat het helen en witwassen als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop moet worden aangemerkt is dan ook niet begrijpelijk volgens de Hoge Raad.

Geconcludeerd kan worden dat er overlap tussen de twee delicten kan zijn. In eerste instantie ligt het voordehand dat er door het OM een keuze gemaakt wordt. Daarbij kan gekeken worden naar het verschil in achtergrond tussen de twee delicten. Heling is een begunstigingsdelict terwijl met witwassen de integriteit van het financiële systeem kan worden aangetast. Daarnaast stellen de samenloop bepalingen grenzen aan de maximaal op te leggen straf in het geval er een bewezenverklaring voor beide delicten volgt. Om te bepalen of er een identiek feitencomplex is en dus eendaadse samenloop moet volgen, kan gekeken worden naar tijd, plaats, gedragingen en voorwerpen.