Witwassen via obligatiefraude: hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van een medewerker?
Publicatiedatum 30-06-2026, 14:22 |
Hoge Raad, 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:78 en Parket bij de Hoge Raad, 11 november 2025, ECLI: NL:PHR:2025:1228
Kan een werknemer strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor het witwassen van zijn of haar eigen salaris als de onderneming fraude pleegt? Die vraag stond centraal in een zaak over een omvangrijke obligatiefraude.
De verdachte werkte in 2016 en 2017 voor ondernemingen gedreven door medeverdachten die beleggers misleidden met fictieve projecten in, onder meer, windenergie en vakantiehuisjes. In werkelijkheid werd ruim €7,4 miljoen aan ingelegd geld gebruikt voor salarissen, bonussen en andere operationele kosten. De verdachte stelde rekenvoorbeelden op, maakte presentaties en belde klanten – soms onder een alias. Toen rekeningen werden bevroren, werden salarissen deels contant uitbetaald en verhuisde het verkoopkantoor om negatieve publiciteit te ontwijken.
Het hof oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat haar salaris (in totaal €9.208,58) uit misdrijf afkomstig was. Haar verweer dat het geld uit een lening of autoverkoop van een medeverdachte zou komen, vond geen gehoor. De omstandigheden – bevroren rekeningen, faillissement, contante betalingen en het voortzetten van frauduleuze projecten – maakten volgens het hof duidelijk dat zij beter had moeten weten. Het hof veroordeelde haar voor witwassen (art. 420bis Sr) en kende drie benadeelde beleggers schadevergoeding toe, in totaal €59.830.
In cassatie klaagde de verdediging onder meer over het bestanddeel “gebruiken” in de bewezenverklaring. De Hoge Raad verwerpt deze klacht, omdat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte het geld “heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt”. Uit de conclusie van de AG blijkt dat de combinatie “en/of” ruimte laat voor een bewezenverklaring op basis van uitsluitend “verworven en voorhanden gehad”. Nu dit voldoende wordt ondersteund door de bewijsvoering en de toevoeging “heeft gebruikt” geen invloed heeft op de kwalificatie of ernst van het feit, leidt dit niet tot cassatie.
Met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen komt de Hoge Raad tot de conclusie dat die niet in stand kunnen blijven. Het hof heeft een schadevergoeding van in totaal € 59.830 toegewezen, met de overweging dat sprake is van “een zodanig nauw verband tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en de benadeelde ertoe heeft gebracht de obligaties te kopen, dat kan worden vastgesteld dat het door de verdachte gepleegde witwassen rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt.”
De Hoge Raad vindt dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Uit de overwegingen van het hof komt geen verband naar voren tussen het door de verdachte witgewassen salaris en de geïnvesteerde gelden. Voor het aannemen van dit verband volstaat niet dat de verdachte werkzaam was voor bepaalde ondernemingen en ermee bekend was dat zij werd betaald met door bedrogen investeerders in die ondernemingen geïnvesteerde gelden. Ook anderszins is niet gebleken dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens deze benadeelde partijen.
Deze zaak laat zien dat ook werknemers die profiteren van frauduleuze inkomsten in bepaalde omstandigheden een reëel risico lopen om voor witwassen te worden veroordeeld wanneer zij signalen van fraude negeren of bewust aan deze frauduleuze praktijken bijdragen.