Go directly to content
Naar de homepage

Alternatief scenario

1 november 2019 10:28

In deze zaak is het hof tot een bewezenverklaring van witwassen gekomen aan de hand van het zogenaamde stappenplan. Het stappenplan houdt in dat een rechter ook tot een veroordeling voor witwassen kan komen als niet duidelijk is uit wélk misdrijf een voorwerp afkomstig is. De Hoge Raad heeft namelijk duidelijk gemaakt dat voor het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet bewezen hoeft te worden door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan (gerechtshof Amsterdam van 11 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481). Witwassen zonder gronddelict kan bewezen worden verklaard, indien het niet anders kan zijn dan dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Om daartoe te kunnen concluderen moet het Openbaar Ministerie allereerst een ernstig vermoeden van witwassen aantonen. Indien dit ernstig vermoeden wordt aangetoond, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring over de herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte een zodanige verklaring geeft moet het Openbaar Ministerie daar vervolgens onderzoek naar doen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Verdachte beschikte over drie bankrekeningen waarop in de tenlastegelegde periode bedragen zijn gestort van in totaal meer dan € 300.000,-. In cassatie is de vraag aan de orde of de verklaring van de verdachte over de herkomst van dit bedrag voldoende concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Over de herkomst van het geld heeft de verdachte verklaard dat hij grote sommen geld heeft verworven o.a. door de verkoop van panden, inkomsten uit een snackbar, door pokerwinst, pachtinkomsten en de verkoop van beeldjes en goud. Het geld bewaarde de verdachte thuis contant en stalde hij zo nu en dan bij vrienden.  Ook werd er af en toe geld op bankrekeningen gestort, met het oog op betalingen die alleen giraal konden worden gedaan. Uit onderzoek naar fiscale aangiften is gebleken dat de verdachte vanaf het startpunt van de tenlastegelegde periode geen inkomsten of vermogen had waarmee de contante stortingen kunnen worden verklaard. Verdachte heeft geen enkel schriftelijk stuk kunnen laten zien waaruit blijkt dat werd geadministreerd wat het verloop was van de contante geldstromen, terwijl de verdachte geen onderbouwing of toelichting heeft gegeven met betrekking tot de contante geldstromen die hebben geleid tot de contante stortingen op de drie bankrekeningen. Het Hof komt daarom tot de conclusie dat de verdachte op geen enkele wijze een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven over de herkomst van de contant gestorte bedragen. Het Hof stelt vast dat het daarom niet meer nodig is dat het Openbaar Ministerie onderzoek doet naar de verklaring van de verdachte. De Hoge Raad vindt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, omdat de contante geldstromen voorafgaand en tijdens de bewezenverklaarde periode niet inzichtelijk zijn geworden.

De Hoge Raad wijkt daarmee af van de conclusie van het Parket bij de Hoge Raad. Volgens de Advocaat-Generaal had het hof beter moeten motiveren waarom het alternatieve scenario over de herkomst van het geld werd verworpen. Hij stelt dat de verdediging een zogenaamd Meer en Vaart-verweer heeft gevoerd.  Zo’n verweer houdt in dat de verdachte betoogt dat de feiten en omstandigheden voor een bewezenverklaring ook passen bij een alternatieve gang van zaken waarin een verdachte géén schuld heeft aan het ten laste gelegde. Als de rechter na zo’n gevoerd verweer tot een bewezenverklaring wil overgaan, dan moet het verweer (mits voldoende onderbouwd) gemotiveerd worden verworpen. Dat heeft het Hof volgens de Advocaat-Generaal niet gedaan. Volgens de Advocaat-Generaal was er sprake van een mogelijkheid tot verificatie van het alternatieve scenario en die mogelijkheid mag niet te snel onbenut worden gelaten.

De conclusie van de AG gaat eraan voorbij dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De geldstromen zijn niet inzichtelijk gemaakt door de verdachte dus het OM hoeft geen nader onderzoek te laten doen.

Hoge Raad, 9 juli 2019

ECLI:NL:HR:2019:1137