Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

Boete betaaldienstverlener tekortkomingen Wwft

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft bevestigd dat een betaaldienstverlener terecht zware boetes krijgt voor structurele tekortkomingen in de poortwachtersrol. De uitspraak laat zien dat ook betaaldienstverleners strikt moeten voldoen aan de Wwft‑, Sanctiewet‑ en SIRA‑verplichtingen. Daarnaast spreekt het college zich uit over het nemo tenetur-beginsel.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft in deze zaak geoordeeld over een reeks boetes die DNB heeft opgelegd aan een betaaldienstverlener wegens ernstige en langdurige overtredingen van, onder andere, de Wwft. De onderneming biedt betaaloplossingen aan, met name voor mkb‑bedrijven, en fungeert als intermediair bij pinbetalingen. Als betaaldienstverlener valt zij onder de poortwachtersverplichtingen van de Wwft en moet zij cliëntenonderzoek verrichten, transacties monitoren en integriteitsrisico’s systematisch in kaart brengen.

De kern van het geschil draait om tekortkomingen in het cliëntenonderzoek, de PEP‑screening, sanctiescreening en het ontbreken van een adequate SIRA. De kwestie komt aan het licht wanneer de instelling zelf een auditrapport van een accountant aan DNB stuurt, waarin expliciet staat dat de organisatie niet voldoet aan de basale KYC‑verplichtingen. DNB start daarop een toezichtonderzoek en constateert omvangrijke tekortkomingen over de periode 2015–2018.

Het CBb bevestigt dat het bedrijf structureel in strijd handelt met de Wwft. De instelling verricht nauwelijks cliëntenonderzoek, verifieert de identiteit van haar klanten niet, screent niet tegen sanctielijsten en voert geen PEP‑controle uit. Daarmee functioneert zij niet als poortwachter en loopt zij significante witwasrisico’s mis – of onderkent deze simpelweg niet. De instelling stelt dat haar rol in het betalingsverkeer beperkt is nu zij slechts pintransacties doorstuurt, maar dit overtuigt het college niet. Het College is van mening dat dit niets afdoet aan de wettelijke verplichtingen: iedere Wwft‑instelling, ook een betaalinstelling moet een eigen risicobeoordeling uitvoeren en maatregelen treffen om witwassen te voorkomen. Ook wanneer zij geen diepgaand zicht heeft op individuele transacties. De ernst van de tekortkomingen (structureel, langdurig en op kernverplichtingen) rechtvaardigt daarom boeteoplegging.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De instelling heeft in het verleden een vergunning verkregen, maar dit schept volgens het College geen vertrouwen dat een instelling jaren later nog aan de actuele verplichtingen voldoet. Ook het beroep op het nemo tenetur‑beginsel slaagt niet, omdat het auditrapport vrijwillig is aangeleverd en niet onder dwang. De boetes zijn bovendien al gematigd vanwege onder meer termijnoverschrijding.

Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank: de overtredingen staan vast en de boetes – ruim € 718.000 voor de Wwft/Sw‑overtredingen en ruim € 406.000 voor de SIRA‑overtreding – blijven in stand.

Deel deze pagina