Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

Op deze pagina

De invloed van het witwasvermoeden op de verklaring

Er is een Mercedes gekocht met een groot contant geldbedrag, bestaande uit o.a. grote coupures. Het OM heeft aangevoerd dat verdachte en medeverdachte hebben geprobeerd te verhullen dat de Mercedes eigenlijk van verdachte is, terwijl hij op naam van medeverdachte staat. De naam op de verkoopnota is namelijk aangepast van de naam van verdachte naar de naam van medeverdachte. Daarom wordt hen ook valsheid in geschrifte verweten.

De rechtbank is niet tot de overtuiging gekomen dat de Mercedes van verdachte is. Hier zijn wel aanwijzingen voor, maar er zijn ook aanwijzingen dat de auto van medeverdachte was. Verdachte reed veelvuldig in de auto, heeft de auto aanbetaald, was aanwezig bij de levering en zijn naam staat op de eerste verkoopnota. Volgens verdachte en medeverdachte heeft medeverdachte 40.500 euro betaald voor de auto.

Volgens de verkoper heeft hij hem aan medeverdachte verkocht, die aanwezig was bij de levering. De auto stond uiteindelijk op diens naam. Hier komt bij dat de auto zou zijn aangekocht ten behoeve van het bedrijf van beide verdachten. Omdat niet vastgesteld kan worden wie de auto heeft gekocht, kan ook niet bewezen worden verklaard dat de verkoopnota’s vals zijn. Een vrijspraak voor valsheid in geschrifte volgt.

De sterkte van een witwasvermoeden

Ondanks de vrijspraak voor valsheid in geschrifte komt de rechtbank op basis van de feiten niettemin tot een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Verdachte moet dus uitleg geven over de herkomst van het geld. Verdachte verklaarde dat 2.000 euro van hem was, maar dat het resterende contante bedrag van 40.500 spaargeld van medeverdachte betrof. De rechtbank oordeelt dat deze verklaring voldoet aan de vereisten: concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij weegt volgens de rechtbank mee ‘dat het witwasvermoeden op voldoende, maar wel relatief beperkte gronden is gebaseerd, zodat aan de verklaring van verdachte niet heel hoge eigen hoeven worden gesteld’.

De sterkte van het witwasvermoeden heeft volgens de rechtbank dus invloed op het tegenwicht dat verdachte moet bieden; het zijn communicerende vaten. Dit is de eerste keer dat we dit zo concreet in de uitspraak lezen, maar het is waarschijnlijk dat dit vaker meespeelt (al is het maar in het achterhoofd van de rechter). Op het moment dat er veel/sterke indicatoren van witwassen aanwezig zijn, heeft de verdachte ook meer uit te leggen om het vermoeden te ontzenuwen.

Tegenwicht aan het vermoeden van witwassen

Het OM heeft medeverdachte en de verkoper van de auto gehoord, en beiden bevestigen dat het geld grotendeels van medeverdachte afkomstig was. Medeverdachte verklaarde dat het zijn spaargeld betrof en verklaarde op de zitting hoe hij zo’n bedrag heeft kunnen sparen. Door het OM is geen onderzoek gedaan naar de (legale) inkomstenbronnen van medeverdachte in de jaren voorafgaand aan de koop. De rechtbank concludeert daarom dat voldoende tegenwicht is geboden aan het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en dus wordt de verdachte vrijgesproken.

Rechtbank Amsterdam, 13 juli 2018