Ga direct naar de inhoud
AMLC is onderdeel van de Rijksoverheid - Naar de homepagina

Slechte rechtshulprelatie

3 november 2021 10:35

Rechtbank Rotterdam, 14 september 2021: ECLI:NL:RBROT:2021:9183

In deze zaak gaat het o.a. om een verdenking van witwassen van geldbedragen ten behoeve van de aankoop van een pand voor een stichting ten behoeve van onderwijs en culturele activiteiten voor jongeren op Islamitische grondslag. Voor de aankoop van het pand is geen hypotheek afgesloten en het aankoopbedrag is betaald vanaf een kwaliteitsrekening van de notaris. Het geld op die rekening is afkomstig uit Koeweit en Turkije. Dit zijn beide risicolanden als het gaat om investeringen in vastgoed met crimineel geld. Het vermoeden van witwassen is aanwezig. Op basis daarvan mag er een concrete en verifieerbare verklaring van verdachte worden verlangd voor de herkomst van het geld. Verdachte heeft verklaard dat er voor de aankoop van het pand geld is verstrekt door drie personen. Van deze personen zijn namen en contactgegevens verstrekt. Het geld is rechtstreeks gestort op de rekening van de notaris, omdat de stichting geen eigen bankrekening kon openen. Voor het feit dat op de bankafschriften van de notaris de drie door verdachte aangevoerde namen niet voorkomen, wordt door verdachte (pas op zitting) als uitleg gegeven dat geldschieters in het Midden-Oosten geld naar bijvoorbeeld juweliers brengen als zij geld willen overboeken.

Volgens de rechtbank had het Openbaar Ministerie de verklaring van verdachte moeten verifiëren en de door verdachte genoemde personen moeten bevragen. Het feit dat een mogelijke verificatie bemoeilijkt wordt door het gegeven dat deze personen verblijven in landen waar geen of nauwelijks een rechtshulprelatie mee bestaat, maakt niet dat de verklaring an sich niet verifieerbaar is. Hetzelfde geldt voor het feit dat de financiering niet conform westerse maatstaven is gedocumenteerd. Dit maakt de verificatie mogelijk lastiger, maar gelet op de aangeleverde gegevens niet onmogelijk. Het feit dat onderzoek lastig is omdat er nauwelijks een rechtshulprelatie is met landen waar dit onderzoek zou moeten plaatsvinden, mag niet in het nadeel van de verdachte werken. Aangezien een legale herkomst niet kan worden uitgesloten wordt de verdachte vrijgesproken.

Het enkele feit dat een ingewikkelde rechtshulprelatie nader onderzoek voor de opsporing kan bemoeilijken, mag niet in het nadeel van de verdachte werken. Iets soortgelijks volgt ook uit ECLI:NL:RBZWB:2021:1967, waarin werd geoordeeld dat het niet slagen van nader onderzoek dat buiten de machtssfeer ligt van een verdachte, niet in zijn nadeel mag werken. In die zaak verklaarde verdachte dat de geldbedragen afkomstig waren van verkopen van onroerend goed in Egypte. Een rechtshulpverzoek aan Egypte ter verificatie leverde geen resultaat op. Door tijdsverloop van bijna vijf jaren was het ook voor verdachte onmogelijk geworden om de stukken te achterhalen, aldus de rechtbank. Verdachte werd vrijgesproken. Zie ook ECLI:NL:GHDHA:2018:2821, waarin werd geoordeeld dat verwijzing door een verdachte naar het buitenland verificatie weliswaar moeilijker maakt, maar niet onmogelijk. Van het Hof had het OM in laatstgenoemde zaak feiten en omstandigheden moeten aanvoeren die nopen dat hierover anders moet worden geoordeeld.