Go directly to content
Naar de homepage

Verbergen verhullen wie de rechthebbende is

1 juli 2019 14:01

De Hoge Raad heeft zich in april in een arrest uitgelaten over wat er bewezen moet worden wanneer ten laste wordt gelegd het witwassen door het verbergen of verhullen wie de rechthebbende is (art. 420bis lid 1 sub a Sr). Het ‘verbergen’ en ‘verhullen’ moet zien op gedrag dat er op gericht is om het zicht te bemoeilijken op wie de rechthebbende op een voorwerp is. En daarnaast moeten die gedragingen geschikt zijn om dat doel te bereiken. Het gaat daarbij niet om de bedoeling van de verdachte maar om de objectieve strekking van de handelingen. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest waarin het ging om het verbergen en verhullen van de herkomst van een voorwerp, waarvoor dezelfde maatstaf lijkt te gelden ECLI:NL:HR:2017:236.

In deze zaak werden op meerdere momenten grote sommen cash geld op verschillende locaties in Amsterdam opgehaald en vervolgens afgeleverd bij een appartement in Rotterdam. Het appartement werd door verdachte onderhands gehuurd – in de GBA stond een gezin ingeschreven als de bewoners. Tijdens de doorzoeking werden in een afgesloten kamer twee kluizen aangetroffen. In één van deze kluizen lag ruim 4,5 miljoen euro in contanten. Er zaten 4241 briefjes van € 500,- bij het aangetroffen geld, een type biljet dat veelal in het criminele circuit wordt gebruikt. Na de inbeslagname heeft niemand zich als rechthebbende op het geld gemeld bij de justitiële autoriteiten. Het hof veroordeelt verdachte voor medeplegen gewoontewitwassen van het geld door te verbergen en verhullen wie de rechthebbende op het geld is.

De verdediging stelt dat het enkele bewaren van geld voor een derde op een plaats die niet direct aan die derde kan worden gelinkt niet gezien kan worden als een handeling waardoor wordt verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat geld is. In zaken waar de bewezenverklaring het verbergen en verhullen van de rechthebbende van een voorwerp betreft, zou het doorgaans gaan om het verrichten van handelingen die misleidend van aard zijn. Uit de overwegingen van het hof komt naar voren dat het hof belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat de door de verdachte onderhands gehuurde woning – waar in de gemeentelijke basisadministratie een ander gezin stond ingeschreven – door derden niet direct in verband kon worden gebracht met de rechthebbende van het geld.

De Hoge Raad schaart zich achter het Hof, de wijze waarop het geld werd bewaard heeft ‘verborgen’ of ‘verhuld’ wie de rechthebbende was.

Hoge Raad, 2 april 2019

ECLI:NL:HR:2019:474