Stappenplan witwassen op Schiphol
Publicatiedatum 25-02-2026, 22:08 |
Rechtbank Noord-Holland, 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:9976
Deze zaak begon met een douanecontrole op Schiphol. In de koffer van de verdachte werd € 155.000 verstopt in broekzakken aangetroffen en € 8.000 in zijn handbagage. Verder treft de Douane luxe horloges, gouden sieraden, designerkleding en telefoons aan.
De verdachte had geen aangifte gedaan van het contante geld, hoewel hij daartoe verplicht was bij bedragen boven € 10.000. De verdachte wordt in deze zaak vervolgd voor meerdere feiten: witwassen, het niet aangeven van liquide middelen bij de douane, het bezit van valse documenten en langdurige betrokkenheid bij de invoer en voorbereiding van de handel in cocaïne.
Er is in deze zaak geen zicht op een gronddelict, waardoor de rechtbank het stappenplan witwassen volgt. Bij de Belastingdienst zijn geen inkomsten van de verdachte bekend. Het gebrek aan legale inkomsten, in combinatie met de gevonden goederen en geldbedragen en het niet doen van aangifte rechtvaardigt een vermoeden van witwassen. Er mag dan ook een verklaring van de verdachte verlangd worden.
De verdachte verklaarde dat het geld afkomstig is van zijn neef die in de goudhandel zou zitten, maar hij wilde diens naam eerst niet noemen. De verdachte moest in Suriname een machine kopen met het geld, maar de koop ging niet door waardoor het geld mee terug moest. Ter terechtzitting is door de verdediging een document overgelegd met een verklaring van de neef. De verklaring stelt dat de neef een geldbedrag van € 170.000 aan de verdachte heeft toevertrouwd voor de aanschaf van zwaar materiaal. Hier zat onder meer een kwitantie bij en een uittreksel van het handelsregister in Suriname van het bedrijf van de neef.
De rechtbank staat voor de vraag of de verklaring die de verdachte over de contante geldbedragen heeft gegeven een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is waarnaar het Openbaar Ministerie onderzoek had moeten doen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte op essentiële punten afwijkt van die van zijn neef, dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaring op onderdelen onduidelijk is. Zo heeft zijn neef bij de rechter-commissaris verklaard dat hij helemaal niet in de goudhandel zat en dat de verklaring op verzoek van de advocaat in 2024 is opgesteld.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van de contante geldbedragen niet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Ten aanzien van de overige voorwerpen heeft de verdachte geen verklaring afgelegd of gesteld dat hij deze al lange tijd heeft. Deze verklaringen voldoen niet aan de eisen en worden als niet concreet of verifieerbaar afgedaan. De rechtbank oordeelde daarom dat het Openbaar Ministerie niet gehouden was nader onderzoek te verrichten en kwam tot een bewezenverklaring voor opzettelijk witwassen.