Veroordelingen voor gewoontewitwassen binnen ondergronds bankiersnetwerk
Publicatiedatum 29-01-2026, 17:25 |
Rechtbank Overijssel, 9 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:70
Deze zaak hangt samen met: Rechtbank Overijssel, 9 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:75. In het onderstaande bericht behandelen wij deze zaken samen.
De rechtbank Overijssel heeft op 9 januari 2026 in twee samenhangende zaken forse straffen opgelegd voor gewoontewitwassen binnen één ondergronds bankiersnetwerk. De uitspraken laten zien hoe de rechtbank witwasindicatoren toepast bij de bewijswaardering en hoe digitale communicatie een centrale rol speelt bij het reconstrueren van ondergrondse geldstromen.
In beide zaken stond een netwerk centraal dat tussen 2020 en 2024 grote contante geldbedragen verplaatste, zowel in euro’s als in Colombiaanse peso’s. De transacties verliepen via een ondergronds bankierssysteem dat werd gekenmerkt door het gebruik van tokens, versleutelde communicatie via SkyECC en later WeChat, overdrachten tussen onbekenden en contante betalingen in grote coupures. De toko van een van de verdachten fungeerde als knooppunt voor het ontvangen en afgeven van geld. Het geld dat daar werd afgegeven werd niet in de kassa gelegd, maar verdween onder de toonbank of werd direct mee naar achter genomen.
Uit de PGP‑ en WeChat‑berichten blijkt dat de betrokkenen een vaste werkwijze hanteerden: afspraken werden digitaal gemaakt, tokens werden uitgewisseld, koeriers werden aangestuurd en transacties werden bevestigd via foto’s en berichten. Deze werkwijze vertoont meerdere witwasindicatoren, waaronder:
- contante transacties in grote coupures (200 en 500 euro);
- overdrachten tussen onbekenden op straat of in parkeergarages;
- gebruik van tokens om identiteit te verhullen;
- gebruik van PGP‑telefoons;
- versluierd taalgebruik (“stukken”, “dingen”, “X”, “colo”).
De rechtbank benadrukt dat deze kenmerken, in onderlinge samenhang, sterke aanwijzingen vormen voor een criminele herkomst van de gelden. Er is in deze zaak echter geen rechtstreeks verband te leggen met een concreet gronddelict. De rechtbank acht de combinatie van de voornoemde omstandigheden voldoende om een gerechtvaardigd witwassen vermoeden aan te nemen. In lijn met het in de rechtspraak ontwikkelde zes-stappenplan mocht van de verdachten worden verlangd dat zij een concrete en verifieerbare verklaring gaven voor een legale herkomst. Die verklaring bleef uit: één verdachte beriep zich op het zwijgrecht, de ander gaf geen plausibele alternatieve herkomst. De rechtbank concludeerde daarom dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.
Voor het beoordelen van het medeplegen in deze zaak past de rechtbank in beide uitspraken het kader uit Hoge Raad 16 december 2014 toe. Hoewel geen gezamenlijke uitvoering kon worden vastgesteld, blijkt uit de intensiteit van de samenwerking, de taakverdeling en de sturende rol van de verdachten dat sprake was van medeplegen. In de eerste zaak vervulde de verdachte in Nederland een uitvoerende en coördinerende rol, waarbij zij zelfstandig transacties regelde en anderen aanstuurde. In de tweede zaak bevond de verdachte zich grotendeels in China, maar had hij via digitale communicatie feitelijke beschikkingsmacht over de geldstromen: hij bepaalde waar en wanneer transacties plaatsvonden, gaf tokens door en stuurde koeriers en medeverdachten aan. In beide zaken achtte de rechtbank de bijdrage van voldoende gewicht om medeplegen aan te nemen.
De rechtbank oordeelt dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met als oogmerk het plegen van (gewoonte)witwassen. De vaste kern van deelnemers, de onderlinge taakverdeling en de planmatige werkwijze ondersteunen dit oordeel. Uit de communicatie blijkt dat de verdachten wisten dat de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven.
In de eerste zaak werd een gevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van € 100.000 opgelegd. In de tweede zaak, waarin de verdachte een leidende rol vervulde en het netwerk miljoenen verplaatste, legde de rechtbank een gevangenisstraf op van 10 jaar en 8 maanden, de maximaal mogelijke straf. Persoonlijke omstandigheden, waaronder de zorg voor jonge kinderen, wogen niet op tegen de ernst van de feiten.
Let op: bij ondergronds bankieren is het belangrijk om te bepalen welk (deel van het) geld uit enig misdrijf afkomstig is. Ondergronds bankieren is op zichzelf namelijk ook een strafbaar feit. Dat valt onder het verbod om te bankieren zonder vergunning. Maar het vermogen waarmee gebankierd wordt, is niet uit dát misdrijf afkomstig. Dit is anders voor de commissie die de bankier ontvangt.
Het gegeven dat er sprake is geweest van een vorm van ondergronds bankieren is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat er sprake is geweest van een criminele herkomst van de gelden. Er moet altijd worden vastgesteld of het geld waarmee gebankierd wordt uit enig misdrijf afkomstig is om te spreken van witwassen.
Meer weten over ondergronds bankieren? Kijk dan eens op onze webpagina over dit fenomeen.