Ondergronds bankieren centraal in veroordeling voor grootschalig witwassen
Publicatiedatum 30-04-2026, 15:32 |
Rechtbank Amsterdam, 20 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1864
In het onderzoek Kristal stond een rechtspersoon terecht die volgens de rechtbank een centrale rol speelde in drie verschillende witwasconstructies. Het onderzoek begon na meldingen over mogelijke handel in ketamine en witwassen door een medeverdachte. Tijdens het onderzoek kwamen geldstromen aan het licht via contante stortingen, via Dubai met behulp van een ondergrondse bankier en via China en Hongkong met behulp van een tweede ondergrondse bankier.
De rechtbank benadrukt dat voor witwassen niet hoeft vast te staan uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig is, zolang op basis van de feiten niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer het Openbaar Ministerie een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen aandraagt, mag van een verdachte worden verlangd dat een concrete en verifieerbare verklaring wordt gegeven voor de legale herkomst van de gelden.
De rechtbank acht bewezen dat in de periode van november 2017 tot augustus 2020 grote geldbedragen op de rekeningen van de rechtspersoon zijn terechtgekomen. Het gaat om contante stortingen van in totaal € 792.629, geldstromen via Dubai ter waarde van € 855.946 en geldstromen via China en Hongkong ter waarde van ruim 10,5 miljoen euro en dollar. De contante stortingen pasten niet bij de aard van de onderneming, een webshop, en waren afwijkend geboekt zonder facturen. De verklaring dat het om contante omzet ging was onvoldoende concreet en niet verifieerbaar. Ook de geldstromen via Dubai waren verdacht: betalingen werden omschreven als factuurbetalingen terwijl geen producten waren geleverd en een leningsovereenkomst bleek achteraf opgesteld en niet ondersteund door administratie.
De geldstromen via China en Hongkong betroffen enorme contante bedragen waarvoor geen enkele verplichting bestond. De verklaring dat miljoenen zouden zijn geleend van een externe partij achtte de rechtbank niet geloofwaardig. Er werden grote hoeveelheden contant geld aangeleverd bij een ondergronds bankier. Deze tussenpersoon zorgde ervoor dat het geld via een buitenlandse bankrekening werd omgezet in giraal geld. Daarna werd het geld overgemaakt naar Nederlandse bedrijven die bij het onderzoek betrokken waren. In ruim een jaar tijd ging het om ongeveer 10,5 miljoen euro. Er was geen duidelijke verplichting of zakelijke reden voor deze geldstromen, wat volgens de rechtbank zeer ongebruikelijk is.
De rechtbank concludeert dat de rechtspersoon wist, of in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. De onderneming fungeerde als plek waar de gelden een bestemming kregen in het legale betalingsverkeer, zowel voor bedrijfsactiviteiten als voor privéaankopen van de grootaandeelhouder. De feiten worden aan de rechtspersoon toegerekend en de rechtbank oordeelt dat sprake is van gewoontewitwassen en medeplegen. De inbeslaggenomen banktegoeden van € 83.917,95 worden verbeurd verklaard. Gezien de gestaakte bedrijfsactiviteiten en het beslag op de tegoeden legt de rechtbank geen aanvullende straf op.