Onvoldoende controle van goudhandel door accountant
Publicatiedatum 30-06-2026, 17:07 |
Accountantskamer Zwolle, 27 maart 2026, ECLI:NL:TACAKN:2026:16
In de onderstaande zaak staat een registeraccountant centraal die werkzaam is bij een accountantskantoor. De zaak betreft de controle van de jaarrekening 2020 van zijn cliënt, een BV die zich bezighoudt met de handel in schroot en sinds 2019 ook in goud en luxe horloges.
Tijdens de controle van de jaarrekening heeft de accountant een controleverklaring met oordeelonthouding afgegeven. Op 30 november 2022 wordt het faillissement van de cliënt op eigen verzoek uitgesproken en wordt de vennootschap ontbonden. Vlak voor deze ontbinding doet de accountant bij de AFM een incidentmelding naar aanleiding van een inval van de politie bij de cliënt wegens een verdenking van witwassen en drugshandel.
De goudactiviteiten vertegenwoordigen in het controlejaar een substantiële omzet van ruim € 65 miljoen binnen een totale omzet van circa € 249 miljoen. De accountant geeft een oordeelonthouding af wegens het ontbreken van voldoende controle-informatie. Naar aanleiding van een latere incidentmelding door de accountant start de AFM een onderzoek en dient zij een tuchtklacht in.
Op de achtergrond van deze tuchtklacht speelt een strafrechtelijk onderzoek naar btw-carrouselfraude bij drie groothandelsbedrijven in metaal, waaronder de cliënt. Uiteindelijk wordt de bestuurder van de cliënt aangehouden op verdenking van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met witwassen en drugshandel. Dit is ook de reden voor de incidentmelding van de accountant bij de AFM. De BV, oftewel de cliënt, wordt later door het gerechtshof veroordeeld voor het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en krijgt een boete van € 95.000 opgelegd.
De AFM verwijt de accountant tuchtrechtelijk twee gedragingen:
- Hij heeft onvoldoende werkzaamheden uitgevoerd om frauderisico’s te identificeren en in te schatten.
- Hij heeft onvoldoende controlewerkzaamheden opgezet en uitgevoerd om voldoende en geschikte controle-informatie te verkrijgen over het voorkomen van de omzet uit de goudverkopen.
De Accountantskamer verklaart beide klachtonderdelen gegrond en gaat in de bespreking in op de controlevereisten voor de accountant.
In het controledossier heeft de accountant de volgende frauderisico’s geïdentificeerd: een FIOD-inval wegens een verdenking van btw-fraude, hoge contante kasstromen, het ontbreken van een tweede autorisatie voor bankbetalingen, risico’s rond de omzetverantwoording en het doorbreken van interne beheersingsmaatregelen door de directie. Volgens de Accountantskamer heeft de accountant echter nagelaten specifieke frauderisico’s te identificeren die samenhangen met de goudhandel. Hier weegt ook mee dat dit een nieuwe bedrijfsactiviteit is van de cliënt. De Kamer benadrukt hierbij dat goud vanwege de hoge waarde bij laag volume, eenvoudige verhandelbaarheid en mogelijke anonimiteit van transacties een verhoogd risico kent op witwassen, diefstal en fictieve transacties.
De Accountantskamer benadrukt in de uitspraak nog dat het signaleren van de frauderisico’s niet hetzelfde is als het vaststellen of het vermoeden van fraude. Het gaat erom dat de accountant deze risicofactoren tijdig onderkent en beoordeelt of deze kunnen leiden tot een afwijking van materieel belang. De accountant heeft in deze zaak echter onvoldoende inzicht verkregen in de bedrijfsprocessen rond de goudhandel. De Accountantskamer stelt ook dat de accountant te snel een verklaring van oordeelonthouding heeft afgegeven. Hier mag namelijk niet te snel op worden terugvallen, eerst moeten alle redelijke mogelijkheden om controle-informatie te verkrijgen zijn benut. Maar de controlewerkzaamheden die zijn opgezet en uitgevoerd schieten in deze zaak tekort. Hierdoor heeft hij niet voldoende, geschikte controle-informatie verkregen over het bestaan van de omzet uit de verkoop van goud.
De tekortkomingen zijn volgens de Accountantskamer zo ernstig dat sprake is van een ernstige schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Daarom volgt de maatregel van doorhaling, met een herinschrijvingsverbod van zes maanden.