Go directly to content
Naar de homepage

Meldplicht (kandidaat) notaris

1 juli 2019 13:52

Een notaris en een kandidaat-notaris zijn door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het niet melden van een aantal ongebruikelijke transacties. Ze krijgen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf 240 uur opgelegd. Het onderzoek naar de notarissen komt vanuit het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude van de FIOD. De notarissen hebben van een aantal ondernemingen de aandelenoverdracht naar andere ondernemingen begeleid. De overeenkomst tussen deze overdrachten was dat steeds dezelfde koper/katvanger/stroman via dezelfde tussenpersoon, soms in een korte periode, aandelen van noodlijdende vennootschappen overneemt tegen een bedrag van 1 euro en veelal met overname van schulden. Vervolgens gingen de ondernemingen kort na de verkoop failliet of werden ze ontbonden via een zogenaamde turboliquidatie.

Volgens het OM hebben de notarissen door geen verscherpt cliëntenonderzoek te doen en deze ongebruikelijke transacties niet te melden, het mogelijk gemaakt dat faillissementsfraude kon worden gepleegd, bovendien hebben ze deelgenomen aan een criminele organisatie.

Beide verdachten worden door de rechtbank vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en het niet doen van verscherpt cliëntenonderzoek. Het dossier bevat onvoldoende concrete informatie – bijvoorbeeld uit de notarisdossiers – over welk onderzoek er door verdachte wel, en welk onderzoek er door verdachte niet is uitgevoerd dat wel uitgevoerd had moeten worden. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte geen verscherpt cliëntonderzoek heeft gedaan.  Met betrekking tot deelname aan een criminele organisatie overweegt de rechtbank dat de notaris als schakel onmisbaar was in de keten -namelijk om de aandelenoverdrachten te passeren – maar dat het onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat verdachte nauw met medeverdachten heeft samengewerkt met het doel en in de wetenschap dat misdrijven (witwassen en faillissementsfraude) zouden worden gepleegd.

Met betrekking tot de verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties moet eerst worden vastgesteld of de verdachte een instelling is in de zin van de Wwft. Een instelling is onder meer de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris zelfstandig onafhankelijk advies geeft of bijstand verleent in een aantal specifieke situaties. Verdachte was in loondienst en dus niet zelfstandig; hij kan daarom niet worden aangemerkt als een instelling. De B.V. waarvoor de notaris werkte is wel aan te merken als een instelling, de vraag is of verdachte feitelijk heeft leiding gegeven aan het ten onrechte niet melden van een verdachte transactie.

De verplichting tot het doen van een melding (art 16. van de Wwft) bestaat niet alleen wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van witwassen of het financieren van terrorisme, het artikel heeft een ruimere strekking. Als er aanleiding is te veronderstellen dat de transactie verband kan houden met witwassen of financiering van terrorisme moet al worden gemeld, dat betekent dat een vermoeden reeds voldoende is. Als hulpmiddel is een aantal richtlijnen opgesteld waarin situaties worden beschreven waarin de beroepsbeoefenaar alert dient te zijn op witwassen. Aan de hand van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden dient de beroepsbeoefenaar te beoordelen, of er aanleiding is om te veronderstellen dat de transactie verband kan houden met witwassen en melding gedaan dient te worden bij het meldpunt. Indien één van deze situaties zich voordoet, leidt dat niet automatisch tot de verplichting om te melden: het betreft aandachtspunten ter bewustwording van de mogelijkheid dat er wordt witgewassen. Als meerdere van de genoemde voorbeelden van toepassing zijn, kan dat wel een belangrijke aanwijzing zijn dat er sprake is van een ongebruikelijke transactie. De verdediging stelt dat het er uiteindelijk om gaat of er naar het inzicht van de notaris een risico op witwassen was en dat dit er volgens verdachte niet was. De rechtbank gaat hier niet in mee, in dit geval waren er een heel aantal indicatoren van toepassing (D2, D6, D10, D12, D13, E2, F3, I1, I2) en was er een patroon te herkennen in de verschillende aandelenoverdrachten. Dit alles in onderling verband en samenhang beschouwd was er een verplichting om te melden en de instelling heeft nagelaten dit te doen. De verdachte heeft hieraan feitelijk leiding gegeven.

Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2019

ECLI:NL:RBAMS:2019:3766 & ECLI:NL:RBAMS:2019:3768