Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

Op deze pagina

Online gokken: niet geloofwaardig

Gerechtshof Amsterdam 6 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:269

Een (1) concrete, (2) min of meer verifieerbare en (3) niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring: drie vereisten ten aanzien van een verklaring van een verdachte bij een witwasvermoeden. Hier staat de (on)geloofwaardigheid van de verklaring centraal.

Witwasvermoeden

Een groot contant geldbedrag (€ 45.995) werd in deze zaak aangetroffen in een toilet in de slaapkamer van verdachte. Een witwasvermoeden was gerechtvaardigd, aldus het hof. De verdachte heeft verklaard dat hij € 150 heeft geleend aan een vriend om online te gokken. Toen die vriend hier vervolgens € 100.000 mee won, kreeg verdachte hiervan € 50.000, waarschijnlijk omdat hij het hem gunde. Het geld wisselde verdachte om in kleine coupures, omdat je volgens hem met grote coupures niet veel kunt. Hij stortte het geld niet bij de bank omdat hij de bank niet vertrouwt. € 10.000 gaf hij cadeau aan zijn moeder.

Onderzoek verklaring

Hoewel nader onderzoek en getuigen de herkomst van het geldbedrag bevestigen, inclusief de gokwinst die de vriend heeft ontvangen, acht het hof de verklaring van verdachte ongeloofwaardig in het licht van de verklaring van de verdachte over zijn overige financiën en hetgeen daaromtrent is gebleken. Uit onderzoek is niet gebleken dat verdachte zijn vriend geld zou hebben geleend, terwijl er wel transacties te zien zijn rondom de gokwinst. En met online gokken is 'digitaal geld nodig vanaf een digitale rekening'. Ook is het niet aannemelijk dat zijn vriend geld bij verdachte zou hebben geleend, omdat hij zelf salaris ontving.

Daarnaast acht het hof het onaannemelijk dat de vriend de helft van zijn winst aan verdachte zou hebben geschonken als wederdienst voor het lenen van € 150. Er is geen ander bewijs dat verdachte daadwerkelijk geld heeft ontvangen van de vriend, buiten de getuigenverklaringen. Verder speelt een rol dat verdachte niets heeft willen verklaren over het omwisselen van grote naar kleine coupures en het feit dat er voorafgaand aan de ten laste gelegde periode contant geld op de bankrekening van verdachte is gestort en opgenomen, terwijl verdachte in die jaren vrijwel geen inkomsten had. Tot slot speelt een rol dat in de woning bonnen zijn gevonden van kostbare kleding die contant is betaald.

Conclusie

Omdat het niet anders kan dan dat het geld dat de verdachte voorhanden heeft gehad uit enig misdrijf afkomstig is, volgt een veroordeling voor witwassen.

Concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk. Drie te onderscheiden eisen ten aanzien van de verklaring van een verdachte die in samenhang door een rechter worden beoordeeld. Bij het afleggen van zo'n verklaring is het aan het Openbaar Ministerie om onderzoek te (laten) doen naar de genoemde alternatieve herkomst van het geld.

De rechter laat zich hier na het vaststellen van het gerechtvaardigd witwasvermoeden niet expliciet uit over de vraag of de verklaring voldoet aan de eisen en of deze moest worden onderzocht door het OM. Dat onderzoek is hier wel gedaan, het OM vormt zich immers gedurende het opsporingsonderzoek een eigen oordeel over de verklaring van verdachte. Alles overziend is door het Gerechtshof geconcludeerd dat de verklaring niet geloofwaardig, niet aannemelijk en bovendien deels niet verifieerbaar is. Een legale herkomst kan worden uitgesloten.