Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

Schuldwitwassen

Tijdens een doorzoeking in het krokodillenverblijf van verdachte werden onder meer drie koffers aangetroffen met grote contante geldbedragen van €10.000, €101.500 en €201.100. Verdachte heeft over de herkomst van de koffers verklaard dat de koffer met €10.000 van hem is en dat de andere koffers van medeverdachte zijn. Medeverdachte heeft dit ook bevestigd.

De €10.000 in de koffer betreft volgens verdachte spaargeld dat hij in de loop der jaren heeft verdiend met zijn circusoptredens. Er wordt regelmatig met cash betaald en verdachte zou altijd een gedeelte op zijn rekening storten en een gedeelte op een veilig plek bewaren. Gelet op de langere periode waarin verdachte werkzaamheden heeft verricht acht de rechtbank deze verklaring niet onaannemelijk en spreekt hem voor dit feit vrij.

Dan wordt verdachte nog het (schuld)witwassen van de andere twee koffers ten laste gelegd. Medeverdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij geen verklaring heeft voor het geld en dat hij afstand zou doen. Later kwam hij hierop terug in een schriftelijke verklaring. Hij kon het geld zoals het is gevonden niet helemaal verklaren maar een kleine €90.000 zou gaan om een aan hem terugbetaalde lening van een betrokkene en een bedrag van €80.000 zou hij voor zijn broer in bewaring hebben genomen. Hij wenste geen afstand meer te doen van het geld. De rechtbank stelt dat medeverdachte zijn verklaring over de lening wordt ondersteund door een koopovereenkomst die werd gevonden tijdens de doorzoeking van medeverdachte zijn woning. Deze koopovereenkomst van twee Chalets diende als onderpand voor de te geven lening. Het lag op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar deze verklaring. Volgens de rechtbank wordt medeverdachte zijn verklaring over zijn broer op geen enkele wijze onderbouwd. Er is een getuige die deze verklaring bevestigd maar die getuige kon op een aantal relevante vragen geen antwoord geven. De rechtbank oordeelt dat de geldbedragen uit de twee koffers - met uitzondering van de lening - afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Resteert voor verdachte de vraag of verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld in de koffers van misdrijf afkomstig was. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte weet had van de criminele herkomst en evenmin dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om geld uit misdrijf ging. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van opzetwitwassen. Er is sprake van schuldwitwassen als verdachte bij enig nadenken had moeten vermoeden dat de geldbedragen in de koffers uit misdrijf afkomstig waren en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat nadat medeverdachte de eerste koffer kwam brengen, verdachte zijn verzoek eerst afwees omdat hij de verantwoordelijkheid niet op zich wilde nemen. Na enig aandringen ging hij toch akkoord. Over de herkomst van het geld heeft hij geen vragen gesteld maar hij veronderstelde dat medeverdachte in de bouw werkte en dat contante betalingen niet ongebruikelijk zijn. De rechtbank acht dit, ook wanneer het om een goede bekende gaat, zeer onvoorzichtig. Vervolgens kwam medeverdachte opnieuw een koffer met geld brengen zonder verdere uitleg over de herkomst. Met het aannemen van nog meer geld kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat verdachte dermate tekortgeschoten is in zijn onderzoeksplicht, dat hij met de voor schuldwitwassen vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.

Rechtbank Amsterdam,  16 mei 2017

ECLI:NL:RBAMS:2017:3312

Op deze pagina