Voorwaardelijke sancties voor structurele Wwft‑overtredingen in autohandel
Publicatiedatum 30-04-2026, 16:39 |
Hof Amsterdam, 13 januari 202, ECLI:NL:GHAMS:2026:55 en ECLI:NL:GHAMS:2026:56
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in twee strafzaken over structurele schendingen van de Wwft binnen de autohandel. Zowel een rechtspersoon als een feitelijk leidinggevende werden veroordeeld voor het niet melden van ongebruikelijke contante transacties, het niet uitvoeren van cliëntenonderzoek en tekortkomingen in de bewaarplicht.
In deze twee zaken draait het om de natuurlijke persoon (ECLI:NL:GHAMS:2026:56) die feitelijk leiding heeft gegeven aan een bedrijf (ECLI:NL:GHAMS:2026:55) dat zich beroepsmatig bezighoudt met de handel in voertuigen. In beide zaken ging het om het niet melden bij de FIU-Nederland van transacties van voertuigen die contant verkocht werden voor bedragen van meer dan €25.000. Ook werd bij meerdere transacties geen of onvolledig cliëntenonderzoek verricht en werden gegevens niet steeds toegankelijk bewaard. De rechtbank heeft in eerste aanleg forse sancties opgelegd, maar in hoger beroep volgt een strafmatiging.
In beide zaken verklaart het hof de dagvaarding partieel nietig vanwege het gebruik van de term “onder meer”, die onvoldoende concreet is. Daarnaast is het OM voor een aantal oudere transacties niet‑ontvankelijk wegens absolute verjaring, met name voor gedragingen uit 2013 en begin 2014. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt in beide arresten verworpen: toezichthouders zouden geen toezegging hebben gedaan dat vervolging achterwege zou blijven bij het alsnog doen van meldingen.
De ten laste gelegde transacties hadden gemeld moeten worden omdat zij op grond van de Wwft als ongebruikelijk aangemerkt konden worden. Er was namelijk sprake van contante betalingen van meer dan € 25.000 en hiermee voldoet de transactie aan een van de objectieve indicatoren. Artikel 16 Wwft verplicht een instelling in zo’n geval tot een onverwijlde melding bij de FIU. Het OM heeft in de ten laste legging de term ‘onverwijld’ opgenomen, maar ook een termijn van veertien dagen. Het hof stelt dat het delict, het niet melden van de transactie, is aangevangen na de veertien dagen. Het ongebruikelijke karakter van de betaling is immers uiterlijk bekend geworden op het moment dat de transactie verricht werd.
Naast het niet melden van de transactie is niet voldaan aan de verplichtingen tot cliëntenonderzoek, maar deze feiten zijn verjaard aangezien het niet uitvoeren van het cliëntenonderzoek geen voortdurend karakter heeft. Het delict is voltooid op de dag van de transactie zelf en de dag na de transactie is de verjaringstermijn gaan lopen.
Ten aanzien van het niet bewaren van de gegevens van de transacties oordeelt het hof dat er wel sprake is van een voortdurend karakter. Zolang de gegevens niet (juist en toegankelijk) worden bewaard, blijft de overtreding voortduren. Het niet voldoen aan deze verplichting vormt daarom een zelfstandige en voortdurende schending van de Wwft, ongeacht het moment waarop de oorspronkelijke transactie heeft plaatsgevonden.
Het hof acht in beide zaken bewezen dat vier ongebruikelijke transacties niet zijn gemeld. Ook is vastgesteld dat bij drie transacties geen voorafgaand cliëntenonderzoek is verricht. In beide arresten wordt slechts één schending van de bewaarplicht bewezen verklaard. Het hof houdt rekening met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en met verbetermaatregelen binnen de ondernemingen, zoals het stoppen met contante betalingen.
- Rechtspersoon (ECLI:NL:GHAMS:2026:55): geheel voorwaardelijke geldboete van €15.000.
- Feitelijk leidinggevende (ECLI:NL:GHAMS:56): geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur.
Cashlimiet
Contante betalingen van € 3.000 of meer voor goederen zijn vanaf januari 2026 verboden. Transacties boven dit bedrag kunnen niet meer gemeld te worden, ze mogen namelijk niet meer uitgevoerd worden door professionele partijen. Meer lezen over de cashlimiet? Lees hier verder.