Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

Op deze pagina

Erfenis in het buitenland

Een man overlijdt en zijn bezittingen, waaronder een geldbedrag van €425.000 op Luxemburgse rekeningen waarover geen belasting is betaald, gaan naar zijn moeder. Zijn moeder wil het geldbedrag aan haar zus schenken. Zij vraagt haar bewindvoerder (tevens zoon van de zus aan wie het geld geschonken zal worden) om de overdracht van het geld aan haar zus/zijn moeder te regelen. De bewindvoerder haalt het geld contant in Luxemburg op en geeft het aan zijn moeder. Door een aangifte komt de Belastingdienst achter deze constructie en constateert dat er nooit belasting over het geld is afgedragen. De bewindvoerder is verdachte in deze zaak.

De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:555) heeft de zaak naar het Hof terugverwezen na te hebben overwogen dat:

  1. diegene die inkeer bij een ander bevordert, onder omstandigheden ook zelf een beroep kan doen op de vervolgingsuitsluiting na inkeer;
  2. onder bijzondere omstandigheden beginselen van een behoorlijke procesorde mee kunnen brengen dat als vervolging van het fiscale misdrijf na inkeer is uitgesloten, ook niet voor het commune delict witwassen vervolgd kan worden[1].

Het Hof is van mening dat er in deze zaak überhaupt geen sprake is van inkeer (de Belastingdienst was door de aangifte al op de hoogte van het geld vóórdat er vanuit de familie contact met de Belastingdienst werd opgenomen) én dat niet vast is komen te staan dat verdachte de inkeer heeft bevorderd. De vervolgingsuitsluiting gaat dus niet op in deze zaak. Laat onverlet dat er omstandigheden denkbaar zijn dat een ‘afgeleid spijtoptant’ niet vervolgd kan worden voor witwassen.

Het Hof stelt dat verdachte op zijn minst had moeten weten dat het geld uit misdrijf afkomstig was nu hij van zijn tante had gehoord dat het ‘zwart’ geld betrof en het bestaan ervan daarom nooit aan de fiscus kenbaar was gemaakt. Door het opnemen en overhandigen van de geldbedragen aan zijn moeder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen.

Begin augustus was er overigens ook al aandacht voor het wegzetten van erfenissen in het buitenland. De zogeheten ‘Edelweisroute’ maakte het tot 2012 mogelijk om zwart geld wit te wassen via een erfenis. De route: Nederlanders met een onbekende bankrekening in Zwitserland benoemden in hun testament een Zwitserse notaris als executeur en vroegen die om pas na 12 jaar (de navorderingstermijn) na het overlijden het bestaan van de bankrekening bekend te maken. De Belastingdienst kon dan geen aanslag meer leggen op het verborgen vermogen.

Leden van de Tweede Kamer dienden in 2010 een amendement in om de Edelweisroute af te sluiten. Per 1 januari 2012 werd een einde gemaakt aan de route door het verdwijnen van de verjaringstermijn uit de wet. De Belastingdienst legde daarom in 2014 een navorderingsaanslag op van €100.925 aan een belastingplichtige die een erfenis verborgen hield vanaf 1998. De belastingplichtige stapte naar de rechter en op 3 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:356) boog de Hoge Raad zich over de reikwijdte van dat amendement uit 2010. De Belastingdienst hield vol dat de leden van de Tweede Kamer een onbeperkte navorderingstermijn voor ogen hadden. De Hoge Raad oordeelt echter dat de Belastingdienst de rechtszekerheid van belastingplichtigen aantast door onbeperkt na te vorderen; er is dus geen sprake van herleving van de in 2010 verlopen navorderingstermijn.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2017

ECLI:NL:GHARL:2017:6347


[1] Verwezen wordt naar ECLI:NL:HR:1997:ZD0659, NJ 1998/71 waarin wordt ingevuld wanneer er sprake is van die bijzondere omstandigheden, namelijk als duidelijk wordt dat met die ‘commune vervolging’ de vrijwaring van de inkeerregeling wordt omzeild.